meester Kerckhoffs
 
(Advertentie)
(Advertentie)

Het hulpwerkwoord:

In een zin ga je eerst op zoek naar het zelfstandig werkwoord, alle andere werkwoorden in de zin zijn de hulpwerkwoorden. Het zijn 'de hulpjes'. De hulpwerkwoorden geven geen handeling aan in de zin. Er kunnen meerdere hulpwerkwoorden in een zin staan, maar er kan ook geen hulpwerkwoord in een zin staan.

 

 

Voorbeelden:

  • Ik loop naar de stad. (geen hulpwerkwoord in deze zin)
  • Ik ben naar de stad gelopen.
  • Ik heb gisteren een pizza gegeten.
  • Ik heb altijd al willen vliegen.

Aanwijzend voornaamwoord:

Aanwijzende voornaamwoorden zijn onder andere: deze, die, dit en dat.
Een aanwijzend voornaamwoord kan in plaats van het lidwoord staan voor een zelfstandig naamwoord (de leerling, die leerling). Het aanwijzend voornaamwoord verwijst naar het zelfstandig naamwoord.

 

 

Voorbeelden:

  • de jongen  - deze / die jongen
  • de avond   - deze / die avond
  • het meisje - dit / dat meisje
  • het huis    - dit / dat huis

 

 

Bij een het-woord gebruik je altijd dat of dit.

Bij een de-woord gebruik je altijd die of deze.

Het voorzetsel:

Voorzetsels kun je invullen op de volgende puntjes:

 

...de kast (de kooi)
...het schoolfeest (de vergadering)

 

Voorbeelden:

  • In de kast
  • Op de kast
  • Achter de kooi
  • Naast de kooi
  • Onder het kleed
  • Tijdens het schoolfeest.
  • Na het schoolfeest.
  • Bij de kast.

 


Let op:
Soms heb je niet te maken met een voorzetsel maar met een scheidbaar werkwoord. Dan bestaat het werkwoord uit twee delen:

  • Nakijken: Ik kijk het werk na.
  • Opstaan: Ik sta altijd om 6 uur op.

Na en op zijn in deze zinnen geen voorzetsels, maar ze horen gewoon bij het werkwoord!

 

 

(Advertentie)

Het lidwoord:

Lidwoorden staan vóór het zelfstandig naamwoord. Er zijn drie lidwoorden:
de, het ('t), een ('n),

 

Voorbeelden:

  • de kast
  • het bed
  • een kast, een bed

Het Zelfstandig Naamwoord:

Zelfstandig naamwoorden zijn woorden waar je een lidwoord voor kunt zetten. Je gebruikt ze voor: dieren, mensen, dingen, plaatsen en voor (eigen)namen (ook al kun je daar soms geen lidwoord voor zetten)

 

Voorbeelden:

  • De kat
  • De plant
  • De neus
  • Bart
  • Nederland
  • Eindhoven
  • Het werk
  • De orchidee

Het bijvoeglijk naamwoord:

Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het bijvoeglijk naamwoord geeft een eigenschap of kenmerk van het zelfstandig naamwoord aan. (Bijvoeglijk naamwoorden staan vaak voor een zelfstandig naamwoord).

 

 

Voorbeelden:

  • een moeilijke opdracht
  • de lieve kinderen
  • de zilveren kandelaars
  • de nagekeken opdracht

Het werkwoord

Werkwoorden zijn woorden die aangeven wat er wordt gedaan (doe-woorden). Werkwoorden kunnen in een zin de handeling aangeven.

 

Voorbeelden van werkwoorden:
doen, geven, nemen, paardrijden, lopen, kletsen, slapen, gapen, schrijven, drinken, eten, gaan, zijn, worden, typen

 

Wanneer een werkwoord in een zin de handeling aangeeft, dan is dat werkwoord een zelfstandig werkwoord. Het zelfstandig werkwoord is dus het belangrijkste werkwoord. Er staat altijd maar één zelfstandig werkwoord in een zin. (Vaak is het 't laatste werkwoord van de zin).

 

 

Voorbeelden:

  • Ik loop naar de stad.
  • Ik ben naar de stad gelopen.
  • Wij gaan naar school.
  • Ik heb de was opgehangen.
(Advertentie)
(Advertentie)
Werkboekjes Vaderdag
Nieuwe boekjes voor groep 1 t/m 3. Download nu!
(Advertentie)