meester Kerckhoffs
 
(Advertentie)
(Advertentie)

Meewerkend voorwerp

Een meewerkend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er staat altijd maar maximaal één meewerkend voorwerp (mv) in een zin.
Het meewerkend voorwerp (mv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:

 

mv: aan/voor wie + wwg + ow + (lv)?

 

Let op: Het voorzetsel 'aan' of 'voor' kan bijna altijd worden weggelaten of toegevoegd bij het meewerkend voorwerp.



Voorbeelden

mv: aan/ voor wie + wwg + ow + (lv)?

 

  • Hij heeft aan Sanne een cadeau gegeven.
    • pv: heeft
    • zinsdelen maken
    • wwg: heeft gegeven
    • ow: wie/wat heeft gegeven?:hij
    • lv: wie/wat heeft hij gegeven?: een cadeau
    • mw: aan (voor) wie heeft hij een cadeau gegeven?: aan Sanne
    Let op: in deze zin kun je eenvoudig het voorzetsel ‘aan’ weglaten: ‘Hij heeft Sanne een cadeau gegeven.’ Als dat kan, weet je dus al dat je te maken hebt met een meewerkend voorwerp.
  • Vorige week wilden Bart, Kees en Ben een cadeaubon gaan kopen voor de jarige juf.
    • pv: wilden
    • zinsdelen maken
    • wwg: wilden gaan kopen
    • ow: wie/wat wilden gaan?: Bart, Kees en Ben
    • lv: wie/wat wilden Bart, Kees en Ben gaan kopen?: een cadeaubon
    • mv: voor wie wilden Bart, Kees en Ben een cadeaubon gaan kopen?: voor de jarige juf
  • Ik hang mijn jas aan de kapstok.
    • pv: hang
    • zinsdelen maken
    • wwg: hang
    • ow: wie/wat hang(t)?: ik
    • lv: wie/wat hang ik?: mijn jas
    • mv: aan/voor wie hang ik?: geen mv in deze zin!

De persoonsvorm:

Bij zinsontleding hak je een zin in stukjes en benoem je de zin per stukje. Bij zinsdeelbenoeming begin je altijd met het benoemen van de persoonsvorm. De persoonsvorm is altijd een werkwoord.

 

De persoonsvorm is op drie manieren te vinden.

Manier 1: Wanneer je de zin in een andere tijd zet, verandert de pv mee.

Voorbeeld:

  • Ik loop naar de stad. - Ik liep naar de stad.

loop wordt liep dus is loop de pv

 

Manier 2: Wanneer je de zin verandert van aantal, verandert de pv mee.

Voorbeeld:

  • Ik loop naar de stad. - Wij lopen naar de stad.

loop wordt lopen dus is loop de pv

 

Manier 3: Wanneer je de zin vragend maakt, is de pv het eerste werkwoord.

Voorbeeld:

  • Ik loop naar de stad. - Loop ik naar de stad?

loop is het eerste werkwoord, dus loop is de pv

Onderwerp

Het onderwerp (ow) is erg belangrijk, het onderwerp geeft namelijk ook de spelling van de persoonsvorm aan. Het onderwerp kun je vinden door de volgende vraag te stellen:

 

ow: wie/wat +wwg?

 

Let op: een zin bevat meestal één onderwerp en heel soms geen. Als er geen onderwerp in een zin staat dan heet dat gebiedende wijs.



Voorbeelden

ow: wie/wat +wwg? Je vult dus in de vraag het wwg in.

 

  • Hij is naar de stad gelopen.
    • wwg: is gelopen
    • ow: wie/wat is gelopen?: hij
  • Vorige week wilden Bart, Kees en Ben naar de winkel gaan.
    • wwg: wilden gaan
    • ow: wie/wat wilden gaan?: Bart, Kees en Ben
(Advertentie)

Zinsdelen

Je kunt een zin in delen verdelen: de zinsdelen. Er is een heel gemakkelijke manier om dat te doen. Onthoud het volgende: Alles wat voor de persoonsvorm staat of kan staan is één zinsdeel.

 

Zodra je dus weet wat de pv (persoonsvorm) is, maak je steeds (in je hoofd) een andere zin. Tussen de zinsdelen zet je streepjes.

 

Dus:

  • Ik heb dat cadeau op maandag aan Greetje gegeven.
  • Ik heb dat cadeau aan Greetje gegeven.
  • Dat cadeau heb ik aan Greetje gegeven.
  • Aan Greetje heb ik dat cadeau gegeven.

 

 

De zinsdelen zijn dus: Ik | heb | dat cadeau | aan Greetje | gegeven.

 

Let op: maak een zinsdeel zo lang mogelijk, maar een plaats en een tijd zijn wel aparte zinsdelen.

Werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde (wwg) bestaat uit alle werkwoorden in een zin. Een persoonsvorm behoort dus ook altijd tot het werkwoordelijk gezegde.

 

 

  • Ik loop.

wwg: loop

 

 

 

  • Ik heb gelopen.

wwg: heb gelopen

 

 

 

  • Ik ben komen lopen.

wwg: ben komen lopen

 

 

 

  • Ik had willen komen lopen.

wwg: had willen komen lopen

 

 

 

  • Ik liep.

wwg: liep

 

 

Let op: het woordje te voor een heel werkwoord hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde!

  • Ik heb veel te doen.

wwg: heb te doen

Lijdend voorwerp

Een lijdend voorwerp kan in een zin staan, maar dat hoeft niet. Er staat altijd maar maximaal één lijdend voorwerp (lv) in een zin.
Het lijdend voorwerp (lv) kun je vinden door de volgende vraag te stellen:

 

lv: wie/wat + wwg + ow?

 

Let op: een lijdend voorwerp begint nooit met een voorzetsel.



Voorbeelden

lv: wie/wat + wwg + ow?

 

  • Hij heeft een voetbal gevonden.
    • pv: heeft
    • zinsdelen maken
    • wwg: heeft gevonden
    • ow: wie/wat heeft gevonden?: hij
    • lv: wie/wat heeft hij gevonden?: een voetbal
  • Vorige week wilden Bart, Kees en Ben een cadeaubon gaan kopen.
    • pv: wilden
    • zinsdelen maken
    • wwg: wilden gaan kopen
    • ow: wie/wat wilden gaan kopen?: Bart, Kees en Ben
    • lv: wie/wat wilden Bart, Kees en Ben gaan kopen?: een cadeaubon

Het naamwoordelijk gezegde

Naast het werkwoordelijk gezegde (wwg) is er ook nog het naamwoordelijk gezegde (nwg). Op sommige scholen of niveaus wordt het naamwoordelijk gezegde niet behandeld. Dan kan deze uitleg gewoon overgeslagen worden. De oefeningen met naamwoordelijk gezegde zou ik dan ook vooral niet gaan maken.

 

Bij een naamwoordelijk gezegde is er altijd sprake van een koppelwerkwoord in combinatie met een naamwoordelijk deel, dat wordt dan samen met de rest van de werkwoorden het naamwoordelijk gezegde genoemd.

 

Dus:

 

 

nwg wwg naamwoordelijk gezegde: werkwoordelijk gezegde:     koppelwerkwoord + zelfstandig werkwoord + (hulpwerkwoorden)+ (hulpwerkwoorden)+ naamwoordelijk deel (lijdend voorwerp)

 

 

Er zijn negen koppelwerkwoorden, het is handig om deze werkwoorden uit je hoofd te leren (Let op: soms hoef je er maar zeven te kennen!):

 

 

  • zijn
  • schijnen
  • worden
  • heten
  • blijven
  • (dunken)
  • blijken
  • (voorkomen)
  • lijken

 

 

Bij een naamwoordelijk gezegde koppelt het koppelwerkwoord het onderwerp aan het naamwoordelijk deel. Het naamwoordelijk deel is dus een kenmerk of eigenschap van het onderwerp, meestal is het naamwoordelijk deel een bijvoeglijk naamwoord of een zelfstandig naamwoord. In het voorbeeld hieronder is Josje dus een juf.

 

 

Voorbeeld 1: Josje is juf.
Josje: onderwerp
is + juf: naamwoordelijk gezegde (juf: naamwoordelijk deel).
    Voorbeeld 2: Barbara is lief.
Barbara: onderwerp
is + lief: naamwoordelijk gezegde (lief: naamwoordelijk deel)

 

 

Let op: een zin met een naamwoordelijk gezegde bevat nooit een lijdend voorwerp!

(Advertentie)
(Advertentie)
Werkboekjes Vaderdag
Nieuwe boekjes voor groep 1 t/m 3. Download nu!
(Advertentie)