meester Kerckhoffs
 
(Advertentie)
(Advertentie)
RICHTLIJNEN KEUZEWERK KUNST

Richtlijnen bij Keuzewerk kunst

 

Opdracht 1:

Er is een originele tekst gekozen om mee te beginnen.

De verschillende stappen zijn duidelijk weergegeven.

De tekst is niet meer te herkennen bij het eindproduct.

 

Opdracht 2:

De PowerPoint-presentatie zit technisch goed in elkaar.

Er zijn minstens tien kunstwerken te zien in het museum.

Je kan zelf een rondleiding geven zonder voor te lezen.

 

Opdracht 3:

De genoemde kenmerken zijn te zien in de nieuwe figuur.

De figuur heeft een duidelijk karakter (kok, voetballer enz.).

De nieuwe figuur is geen kopie van de voorbeelden in het boekje.

 

Opdracht 4:

Er zijn alleen tinten van één kleur te zien, dus geen zwart en wit.

Er zijn minstens vijf verschillende tinten te zien.

De gekozen kleur past bij het onderwerp van het schilderij.

 

Opdracht 5:

Je kan een oefenblad laten zien met verschillende technieken.

Er wordt maar een van die technieken in het schilderij gebruikt.

Je kan vertellen waarom het voor deze techniek gekozen heeft.

 

Opdracht 6:

Je weet wat de schilderijen van Mondriaan voorstellen.

Het heeft zelf op dezelfde manier een schilderij gemaakt.

Het kan extra informatie geven over Mondriaan en diens werk.

 

Opdracht 7:

Het tekenmateriaal is op een originele manier gebruikt.

Het zelfprotret is goed herenbaar.

Je kan vertellen wat het makkelijk en wat het lastig vond om te tekenen.

 

Opdracht 8:

Je kan vertellen wat het eigen bouwwerk voorstelt.

De klei is op verschillende manieren bewerkt.

Het kunstwerk is netjes afgewerkt.

 

Opdracht 9:

De twee gemaakte lijsten zijn heel verschillend.

De lijsten passen goed bij het schilderij.

Er zijn meerdere materialen gebruikt bij het maken van de lijsten.

 

Opdracht 10:

Je kan uitleggen waar het kunstwerk voor staat.

Het kunstwerk zit stevig in elkaar.

Er is alleen kosteloos (afval)materiaal gebruikt.

 

Opdracht 11:

Er wordt over minstens vijf belangrijke werken van Rembrandt verteld.

De belangrijke momenten uit zijn leven worden gepresenteerd.

Het werkstuk is duidelijk en overzichtelijk.

 

Opdracht 12:

In de presentatie wordt over minstens tien musea verteld.

Er zijn zowel musea uit Nederland als uit het buitenland bij.

Er wordt meer verteld dan alleen naam, plaats en werken.

 

Opdracht 13:

Geen enkele foto is in zijn geheel opgeplakt, ze zijn alle bewerkt.

Het album is een geheel, dus de pagina’s passen bij elkaar.

Op iedere pagina is een stukje tekst toegevoegd.

 

Opdracht 14:

Het kind kan laten zien op welke manieren het geëxperimenteerd heeft.

Het kan vertellen welke manier van verven het het leukst vindt.

Er staan minstens vijf vragen in het Plan van aanpak.

 

Opdracht 15:

Het kind laat minstens vijf manieren zien om met houtskool te tekenen.

Het vertelt erbij hoe het op deze manier met houtskool tekent.

Er is een tekening gemaakt met verschillende technieken erin.

 

Opdracht 16:

De graffiti lijkt op het papier gespoten.

De tekening past in de stijl van graffiti.

Er bevindt zich ook een ‘tag’ van de kunstenaar op de tekening.

 

Opdracht 17:

Het stukje foto is bijna niet meer te herkennen.

Je kan vertellen wat er volgens hem of haar op de foto stond.

Het kan vertellen waarom het voor dit stukje gekozen heeft.

 

Opdracht 18:

De collage geeft informatie over minstens vijf kunstenaars.

Er wordt over kunstenaars van vroeger en nu verteld.

Iedere kunstenaar komt ongeveer even uitgebreid aan bod.

 

Opdracht 19:

Er is een duidelijk overzicht gemaakt van de kunstwerken.

De vragen zijn open, dus er zijn meerdere antwoorden mogelijk.

De samenvattingen zijn geen opsomming, maar een verhaaltje.

 

Opdracht 20:

De opdracht is duidelijk omschreven in het Plan van aanpak.

Het kind heeft de opdracht grotendeels zelf bedacht.

De opdracht past binnen het thema ‘Kunst’.

Opdracht 1:

Van tekst naar beeld

 

Bekijk de PowerPoint-presentatie ‘Van tekst naar beeld’.

Maak nu op de computer net zo’n soort tekening met het programma Paint. Je mag zelf weten welke tekst je gaat ombouwen tot een tekening. Sla je tekening wel in verschillende fases op en druk die ook af. Dan kan iedereen stap voor stap zien hoe jouw kunstwerk tot stand is gekomen.

 

Opdracht 2:

PowerPoint-museum

 

Maak je eigen elektronische museum. Zoek een aantal beroemde kunstwerken op (het hoeven natuurlijk niet alleen schilderijen te zijn) en zet ze in een PowerPoint-presentatie. Schrijf er iedere keer ook iets bij over het kunstwerk en de kunstenaar.

Voor het maken van een PowerPoint-presentatie kun je het werkblad Zo maak je een PowerPoint-presentatie gebruiken.

 

Opdracht 3:

Manga madness

 

Manga is een Japanse manier van tekenen die steeds meer gebruikt wordt in tekenfilms en stripverhalen. Bekende voorbeelden zijn Pokémon en Dragonball Z. In het werkboekje Manga staan voorbeelden van lichaamsdelen die op deze manier getekend zijn.

Oefen eerst met het tekenen van de verschillende onderdelen.

Maak daarna je eigen mangafiguur op een A4-blad.

 

Opdracht 4:

De blauwe periode van Picasso

 

In zijn blauwe periode schilderde de kunstenaar Picasso alleen maar met blauwe verf. Hij gebruikte natuurlijk wel verschillende tinten blauw. Als je die schilderijen bekijkt, lijkt het net of je door een blauwe bril kijkt.

Maak ook zo’n schilderij. Maak eerst een tekening en verf die daarna met alleen maar tinten van één kleur. Je mag zelf kiezen welke kleur je gebruikt. Ook het onderwerp van je tekening mag je zelf bepalen.

 

 

Opdracht 5:

Je eigen kunstwerk

 

Iedere schilder werkt op zijn eigen manier. De ene trekt lange strepen met zijn kwast, terwijl een andere met kleine vlekken werkt.

Kies zelf een bepaalde manier van schilderen. Maak daarmee een schilderij op schildersdoek. Het maakt niet uit wat je schildert. Als je in je hele werk maar dezelfde techniek gebruikt.

 

Opdracht 6:

Pieter Mondriaan

 

Pieter Mondriaan heeft in een periode van zijn leven een stel heel opvallende schilderijen gemaakt. Het zijn witte schilderijen die door zwarte lijnen in hokjes zijn verdeeld. De hokjes zijn niet allemaal even groot. Enkele van die hokjes zijn ingekleurd met rood, blauw of geel.

Zoek uit waarom Mondriaan die schilderijen zo maakte. Probeer er vervolgens zelf een te maken.

 

Opdracht 7:

Portret van jezelf

 

Pak een spiegel en bekijk jezelf eens goed.

Maak nu een portret van jezelf. Kies zelf met welk materiaal je dat doet. Bijvoorbeeld (kleur)potlood, viltstift, verf, houtskool, papier. Misschien heb je zelf nog wel een origineel idee. Probeer zo nauwkeurig mogelijk te werken, zodat anderen jou in je portret kunnen herkennen.

 

Opdracht 8:

Beeldhouwen

 

Beeldhouwen is ook een vorm van kunst. Je hebt hier natuurlijk geen enorm stuk steen waaruit je iets kunt hakken, maar wel klei.

Bedenk een onderwerp en maak er een kunstwerk van in klei. Als je niet op een idee kunt komen, kun je eerst op zoek gaan naar beroemde beeldhouwwerken. Zorg er wel voor dat je kunstwerk iets voorstelt. Het mag ook een symbolische betekenis hebben.

 

 

Opdracht 9:

Doe er een lijstje om

 

In de werkmap Kunst zitten kopieën van beroemde schilderijen, maar ook van ‘gewone’ tekeningen.

Kies een van de schilderijen en een van de tekeningen. Maak voor beide platen een passende lijst. Zorg dat de lijst past bij de sfeer van de afbeelding.

 

Opdracht 10:

Kosteloos kunstwerk

 

Maak van kosteloos materiaal een zelfbedacht kunstwerk.

Je mag zelf weten welke spullen je allemaal gebruikt. Er moet wel een betekenis achter je kunstwerk zitten. Je gaat dus niet zomaar iets doen, je moet er wel eerst goed over nadenken. Als je klaar bent, moet je aan anderen kunnen vertellen welke gedachte erachter zit.

 

Opdracht 11:

Rembrandt van Rijn

 

Rembrandt is een van de bekendste Nederlandse kunstenaars. Hij maakte niet alleen bijzonder mooie kunstwerken, zijn leven verliep ook niet bepaald normaal.

Laat in een werkstuk zien wat de belangrijkste werken van Rembrandt waren en hoe zijn leven in grote lijnen verliep. Wat voor werkstuk je maakt, mag je zelf weten.

 

Opdracht 12:

Musea wereldwijd

 

Over de hele wereld zijn musea te vinden met beroemde kunstwerken. Ga op zoek naar foto’s van deze gebouwen. Vaak zijn die gebouwen al kunstwerken op zich. Zoek er in Nederland, maar ook in het buitenland.

Maak van de gevonden foto’s een collage en schrijf bij ieder museum wat belangrijke informatie op. Denk daarbij aan: naam, plaats en beroemde kunstwerken die er te vinden zijn. Vul dat aan met andere dingen die je zelf interessant vindt.

 

 

Opdracht 13:

Creatief met foto’s

 

Maak in je omgeving foto’s. Het maakt helemaal niet uit hoe ze eruit zien en waar je foto’s van maakt. Maak zoveel mogelijk verschillende foto’s.

Druk de foto’s af of laat ze afdrukken. Plak ze daarna op een creatieve manier op in een klein zelfgemaakt fotoalbum. Verknip ze, plak er dingetjes bij, maak van twee foto’s één nieuwe. Gebruik je fantasie. Schrijf bij ieder kunstwerkje wat het voorstelt.

Tip: fotografeer ook eens een half gebouw en doe iets geks met die foto.

 

Opdracht 14:

Experimenteren met verf

 

Verf is heel leuk om mee te werken. Je kunt er een schilderij mee maken, maar je kunt er ook voorwerpen een ander kleurtje mee geven. Verven kun je met een kwast, maar ook met je vingers, handen, tenen en voeten. Bovendien kun je met verf een heleboel verschillende kleuren mengen.

Ga eens experimenteren met materialen. Hoe kun je ermee verven en hoe ziet het resultaat er dan uit? Welke kleuren kun je mengen en hoe? Stel jezelf een paar goede onderzoeksvragen in je Plan van aanpak, voordat je gaat beginnen.

 

Opdracht 15:

Houtskool ontdekken

 

Vroeger werden er veel schetsen gemaakt met houtskool. Ook nu werken veel straattekenaars met dit materiaal.

Ga eens experimenteren met de kleine houtjes. Op welke verschillende manieren kun je met dit materiaal werken? Maak een overzicht van de verschillende manieren van tekenen met houtskool. Schrijf erbij hoe je het materiaal moet gebruiken om op die manier te tekenen.

 

Opdracht 16:

Straatkunst

 

Vooral in grote steden zie je veel straatkunst. Ga maar eens bij een station kijken. Juist: graffiti overal op de muren. Het zijn vooral jongeren die met spuitbussen stiekem muren volspuiten. Veel mensen zien het als vandalisme, maar soms zitten er ook wel prachtige kunstwerken tussen.

Maak je eigen graffiti, maar dan op papier. Bedenk zelf hoe je het beste resultaat krijgt, zodat het echt op graffiti lijkt.

 

 

Opdracht 17:

Maak de foto af

 

In de werkmap Kunst zitten een aantal stukjes van foto’s. Ze stellen geen van alle echt iets voor, maar dat doen ze natuurlijk wel als de foto compleet is.

Kies een stukje uit en plak dat op een blad. Waar op het blad, mag je zelf weten. Ga nu de de foto afmaken. Je kunt er een bestaand voorwerp of uitzicht van maken. Maar je mag er ook je fantasie op loslaten en er iets vreemds van maken.

 

Opdracht 18:

Nederlandse kunstenaars

 

Maak een collage van bekende Nederlandse kunstenaars, van nu en uit het verleden. Probeer kunstenaars van verschillende soorten kunst te vinden. Vermeld bij elke kunstenaar, wanneer hij of zij leefde en welke belangrijke werken deze persoon heeft gemaakt.

Opdracht 19: Kunstzinnige meningen

 

Opdracht 19:

Kunst

 

Niet iedereen vindt kunst mooi. En niet iedereen vindt dezelfde kunst mooi.

Zoek minstens tien afbeeldingen van verschillende soorten kunstwerken bij elkaar. Maak er een overzicht van. Ga daarna aan minstens vijf kinderen vragen wat ze van die kunstwerken vinden. Vraag niet alleen: ‘Wat vind je van dit schilderij?’ Bedenk van tevoren minstens vijf vragen die je jouw groepsgenoten kunt stellen.

Maak na afloop een samenvatting bij ieder kunstwerk, waarin je vertelt wat de verschillende meningen waren.

 

Opdracht 20:

Open opdracht

 

Er zijn een heleboel vormen van kunst en nog veel meer onderwerpen die met kunst te maken hebben. Had je zelf iets in gedachten dat je niet tussen de opdrachten hebt gevonden? Dan is dat ook goed.

Schrijf duidelijk in je Plan van aanpak op wat je wil gaan doen. Overleg daarna met je meester. Als die jouw opdracht goed vindt, kun je beginnen.

Keuzewerk hulpkaart 4 

 

Een puzzel maken

Er zijn verschillende soorten puzzels: legpuzzels, woordzoekers, kruiswoordpuzzels, sudoku’s en nog veel meer. Hieronder staat hoe je deze twee puzzels zelf kunt maken.

 

1 Legpuzzel

Een legpuzzel bestaat uit een grote foto, die in kleine stukken geknipt is. Maak dus eerst de tekening of de foto die op de puzzel te zien moet zijn.

Verdeel de afbeelding daarna in stukjes. Je kunt zelf bepalen, welke vorm de stukjes krijgen. Let op: maak de legpuzzel op stevig papier of karton, zodat hij niet te snel kapot gaat. Misschien kun je hem nog lamineren, voordat je hem in stukjes knipt.

 

2 Woordzoeker

Bedenk eerst een aantal woorden die bij het onderwerp van jouw woordzoeker passen. Het moeten minstens 20 woorden zijn van verschillende lengte. Zet ze in een lijstje.

Maak daarna een rooster. Dat is een groot vierkant, dat verdeeld is in kleine vierkanten. Schrijf hier de woorden in die je bedacht hebt. Let op: zet in elk vakje één letter.

Je kunt de woorden er op de volgende manieren inschrijven:

– van links naar rechts

– van rechts naar links

– van boven naar onder

– van onder naar boven

– schuin van boven naar onder

– schuin van onder naar boven

Daarna zijn er waarschijnlijk nog een aantal hokjes leeg. Die vul je in met losse letters.

Nu is je puzzel klaar. Geef iemand anders je lijstje met woorden en laat hem deze woorden in de puzzel opzoeken en doorstrepen.

(Advertentie)

Keuzewerk hulpkaart 3

 

Een kwartetspel maken

Een kwartetspel kun je heel eenvoudig maken door de drie stappen te volgen.

Op deze kaart maken we een voorbeeldkwartet over de provincies in Nederland.

 

Stap 1: het onderwerp en de deelonderwerpen bedenken

Het onderwerp van het kwartetspel is: Nederland.

De deelonderwerpen zijn: Limburg, Noord-Brabant, Zeeland, Zuid-Holland, Noord-

Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Drenthe, Friesland, Groningen, Flevoland.

Voor elk deelonderwerp moet er een kwartet komen.

 

Stap 2: vier kaarten bij elk deelonderwerp

Elk deelonderwerp staat voor één kwartet. Een kwartet bestaat altijd uit vier kaarten.

In dit kwartetspel zetten we op elke kaart een grote stad uit een provincie.

 

Bijvoorbeeld:

deelonderwerp: steden:

Flevoland Lelystad – Almere – Emmeloord – Dronten

Zeeland Middelburg – Goes – Vlissingen – Terneuzen

Gelderland Arnhem – Apeldoorn – Nijmegen – Zutphen

 

Stap 3: kaarten maken

De kaarten kunnen er bijvoorbeeld zo uitzien:

Het is belangrijk, dat je laat zien bij welk kwartet de kaart hoort (de provincie).

Het moet ook duidelijk zijn welke kaart dit is (de stad).

En ook welke andere kaarten er bij het kwartet horen (de andere drie steden).

In het midden staat een plaatje dat bij de stad van deze kaart hoort.

Keuzewerk hulpkaart 2

 

Informatie zoeken

Bij veel opdrachten moet je op zoek naar informatie. Maar waar vind je die?

 

1 Boeken

Om te beginnen kun je in boeken gaan zoeken. Je vindt ze in de bibliotheek bij jou in de buurt, maar waarschijnlijk ook op school. Vaak staan de informatieboeken geordend op onderwerp, zodat je snel het boek kunt vinden dat je nodig hebt.

 

2 Vragen stellen aan andere mensen

Natuurlijk kun je ook informatie vragen aan mensen. Als jij nog niet veel weet over een onderwerp, weet iemand anders er misschien wél meer over.

Kijk eens rond in de klas, maar ook in je omgeving. Misschien wil bijvoorbeeld jouw tandarts je best graag uitleggen hoe een gebit in elkaar zit.

Ook kun je naar een persoon of organisatie een brief of e-mail sturen met al je vragen over het onderwerp. Vaak krijg je dan ook nog allerlei folders toegestuurd.

 

3 Internet

Je kunt ook een heleboel informatie vinden op het internet. Maar dan moet je wel weten waar je moet zoeken.

Op www.google.nl kun je allerlei onderwerpen intypen om naar de juiste websites te surfen. Maar vaak krijg je dan duizenden sites om uit te kiezen; het is lastig om dan de juiste uit te kiezen.

 

Om je te helpen noemen we hier enkele handige sites waarop je veel informatie over allerlei

onderwerpen kunt vinden:

 

– www.wikipedia.nl

Hier staat heel erg veel op, maar soms worden er wel veel moeilijke woorden gebruikt.

– www.wikikids.nl

Hier staat minder informatie op dan bij Wikipedia, maar het wordt wel makkelijker uitgelegd.

– www.schooltv.nl/beeldbank

Hier vind je heel veel filmpjes met informatie.

– www.entoen.nu

Op deze site vind je veel informatie over onderwerpen voor geschiedenis.

– www.davindi.nl

– www.nu.nl

Op deze site vind je allerlei artikelen over het nieuws.

Keuzewerk hulpkaart 1

 

Informatie presenteren

Bij veel opdrachten van Keuzewerk moet je informatie zoeken over een onderwerp. Soms staat er dan bij, wat je moet doen met die informatie. Maar dat is niet altijd zo. Af en toe moet je zelf een leuke manier bedenken om aan je klasgenoten en de juf of meester te vertellen en te laten zien wat je geleerd hebt.

 

Deze ideeën zou je kunnen gebruiken:

– Maak een poster of een collage.

– Maak een puzzel over het onderwerp.

– Maak een informatiefilmpje (documentaire).

– Maak een quiz voor de kinderen die naar je presentatie luisteren.

– Maak een tekening of een stripverhaal met uitleg.

– Maak een verslag of een informatieboekje.

– Maak een kijkdoos.

– Maak een knutselwerkje dat over het onderwerp gaat.

– Maak een toneelstukje, poppenkastspel of liedje over het onderwerp.

– Maak een PowerPoint-presentatie.

– Maak een abc van het onderwerp met uitleg.

– Maak een fotoplakboek over het onderwerp.

– Maak een gezelschapsspel.

– Houd een korte spreekbeurt.

– Maak een tentoonstelling.

En zo zijn er vast nog meer ideeën te bedenken. Gebruik je fantasie!

 

Tips voor het houden van de presentatie:

– Bereid je goed voor. Schrijf trefwoorden op een blaadje, zodat je geen dingen vergeet die je

wilt vertellen.

– Zorg dat je duidelijk praat, als je een verhaal vertelt.

– Als je iets maakt, zorg er dan voor dat alles netjes verzorgd is. Een collage waar de plaatjes

vanaf vallen, ziet er erg slordig uit.

– Houd de presentatie kort. Vertel vooral de belangrijkste dingen die je geleerd hebt.

– Geef je publiek na afloop de kans om je materialen te bekijken of vragen te stellen.

(Advertentie)
Werkboekjes Vaderdag
Nieuwe boekjes voor groep 1 t/m 3. Download nu!
(Advertentie)
(Advertentie)