Opdracht 1:
Van tekst naar beeld
Bekijk de PowerPoint-presentatie ‘Van tekst naar beeld’.
Maak nu op de computer net zo’n soort tekening met het programma Paint. Je mag zelf weten welke tekst je gaat ombouwen tot een tekening. Sla je tekening wel in verschillende fases op en druk die ook af. Dan kan iedereen stap voor stap zien hoe jouw kunstwerk tot stand is gekomen.
Opdracht 2:
PowerPoint-museum
Maak je eigen elektronische museum. Zoek een aantal beroemde kunstwerken op (het hoeven natuurlijk niet alleen schilderijen te zijn) en zet ze in een PowerPoint-presentatie. Schrijf er iedere keer ook iets bij over het kunstwerk en de kunstenaar.
Voor het maken van een PowerPoint-presentatie kun je het werkblad Zo maak je een PowerPoint-presentatie gebruiken.
Opdracht 3:
Manga madness
Manga is een Japanse manier van tekenen die steeds meer gebruikt wordt in tekenfilms en stripverhalen. Bekende voorbeelden zijn Pokémon en Dragonball Z. In het werkboekje Manga staan voorbeelden van lichaamsdelen die op deze manier getekend zijn.
Oefen eerst met het tekenen van de verschillende onderdelen.
Maak daarna je eigen mangafiguur op een A4-blad.
Opdracht 4:
De blauwe periode van Picasso
In zijn blauwe periode schilderde de kunstenaar Picasso alleen maar met blauwe verf. Hij gebruikte natuurlijk wel verschillende tinten blauw. Als je die schilderijen bekijkt, lijkt het net of je door een blauwe bril kijkt.
Maak ook zo’n schilderij. Maak eerst een tekening en verf die daarna met alleen maar tinten van één kleur. Je mag zelf kiezen welke kleur je gebruikt. Ook het onderwerp van je tekening mag je zelf bepalen.
Opdracht 5:
Je eigen kunstwerk
Iedere schilder werkt op zijn eigen manier. De ene trekt lange strepen met zijn kwast, terwijl een andere met kleine vlekken werkt.
Kies zelf een bepaalde manier van schilderen. Maak daarmee een schilderij op schildersdoek. Het maakt niet uit wat je schildert. Als je in je hele werk maar dezelfde techniek gebruikt.
Opdracht 6:
Pieter Mondriaan
Pieter Mondriaan heeft in een periode van zijn leven een stel heel opvallende schilderijen gemaakt. Het zijn witte schilderijen die door zwarte lijnen in hokjes zijn verdeeld. De hokjes zijn niet allemaal even groot. Enkele van die hokjes zijn ingekleurd met rood, blauw of geel.
Zoek uit waarom Mondriaan die schilderijen zo maakte. Probeer er vervolgens zelf een te maken.
Opdracht 7:
Portret van jezelf
Pak een spiegel en bekijk jezelf eens goed.
Maak nu een portret van jezelf. Kies zelf met welk materiaal je dat doet. Bijvoorbeeld (kleur)potlood, viltstift, verf, houtskool, papier. Misschien heb je zelf nog wel een origineel idee. Probeer zo nauwkeurig mogelijk te werken, zodat anderen jou in je portret kunnen herkennen.
Opdracht 8:
Beeldhouwen
Beeldhouwen is ook een vorm van kunst. Je hebt hier natuurlijk geen enorm stuk steen waaruit je iets kunt hakken, maar wel klei.
Bedenk een onderwerp en maak er een kunstwerk van in klei. Als je niet op een idee kunt komen, kun je eerst op zoek gaan naar beroemde beeldhouwwerken. Zorg er wel voor dat je kunstwerk iets voorstelt. Het mag ook een symbolische betekenis hebben.
Opdracht 9:
Doe er een lijstje om
In de werkmap Kunst zitten kopieën van beroemde schilderijen, maar ook van ‘gewone’ tekeningen.
Kies een van de schilderijen en een van de tekeningen. Maak voor beide platen een passende lijst. Zorg dat de lijst past bij de sfeer van de afbeelding.
Opdracht 10:
Kosteloos kunstwerk
Maak van kosteloos materiaal een zelfbedacht kunstwerk.
Je mag zelf weten welke spullen je allemaal gebruikt. Er moet wel een betekenis achter je kunstwerk zitten. Je gaat dus niet zomaar iets doen, je moet er wel eerst goed over nadenken. Als je klaar bent, moet je aan anderen kunnen vertellen welke gedachte erachter zit.
Opdracht 11:
Rembrandt van Rijn
Rembrandt is een van de bekendste Nederlandse kunstenaars. Hij maakte niet alleen bijzonder mooie kunstwerken, zijn leven verliep ook niet bepaald normaal.
Laat in een werkstuk zien wat de belangrijkste werken van Rembrandt waren en hoe zijn leven in grote lijnen verliep. Wat voor werkstuk je maakt, mag je zelf weten.
Opdracht 12:
Musea wereldwijd
Over de hele wereld zijn musea te vinden met beroemde kunstwerken. Ga op zoek naar foto’s van deze gebouwen. Vaak zijn die gebouwen al kunstwerken op zich. Zoek er in Nederland, maar ook in het buitenland.
Maak van de gevonden foto’s een collage en schrijf bij ieder museum wat belangrijke informatie op. Denk daarbij aan: naam, plaats en beroemde kunstwerken die er te vinden zijn. Vul dat aan met andere dingen die je zelf interessant vindt.
Opdracht 13:
Creatief met foto’s
Maak in je omgeving foto’s. Het maakt helemaal niet uit hoe ze eruit zien en waar je foto’s van maakt. Maak zoveel mogelijk verschillende foto’s.
Druk de foto’s af of laat ze afdrukken. Plak ze daarna op een creatieve manier op in een klein zelfgemaakt fotoalbum. Verknip ze, plak er dingetjes bij, maak van twee foto’s één nieuwe. Gebruik je fantasie. Schrijf bij ieder kunstwerkje wat het voorstelt.
Tip: fotografeer ook eens een half gebouw en doe iets geks met die foto.
Opdracht 14:
Experimenteren met verf
Verf is heel leuk om mee te werken. Je kunt er een schilderij mee maken, maar je kunt er ook voorwerpen een ander kleurtje mee geven. Verven kun je met een kwast, maar ook met je vingers, handen, tenen en voeten. Bovendien kun je met verf een heleboel verschillende kleuren mengen.
Ga eens experimenteren met materialen. Hoe kun je ermee verven en hoe ziet het resultaat er dan uit? Welke kleuren kun je mengen en hoe? Stel jezelf een paar goede onderzoeksvragen in je Plan van aanpak, voordat je gaat beginnen.
Opdracht 15:
Houtskool ontdekken
Vroeger werden er veel schetsen gemaakt met houtskool. Ook nu werken veel straattekenaars met dit materiaal.
Ga eens experimenteren met de kleine houtjes. Op welke verschillende manieren kun je met dit materiaal werken? Maak een overzicht van de verschillende manieren van tekenen met houtskool. Schrijf erbij hoe je het materiaal moet gebruiken om op die manier te tekenen.
Opdracht 16:
Straatkunst
Vooral in grote steden zie je veel straatkunst. Ga maar eens bij een station kijken. Juist: graffiti overal op de muren. Het zijn vooral jongeren die met spuitbussen stiekem muren volspuiten. Veel mensen zien het als vandalisme, maar soms zitten er ook wel prachtige kunstwerken tussen.
Maak je eigen graffiti, maar dan op papier. Bedenk zelf hoe je het beste resultaat krijgt, zodat het echt op graffiti lijkt.
Opdracht 17:
Maak de foto af
In de werkmap Kunst zitten een aantal stukjes van foto’s. Ze stellen geen van alle echt iets voor, maar dat doen ze natuurlijk wel als de foto compleet is.
Kies een stukje uit en plak dat op een blad. Waar op het blad, mag je zelf weten. Ga nu de de foto afmaken. Je kunt er een bestaand voorwerp of uitzicht van maken. Maar je mag er ook je fantasie op loslaten en er iets vreemds van maken.
Opdracht 18:
Nederlandse kunstenaars
Maak een collage van bekende Nederlandse kunstenaars, van nu en uit het verleden. Probeer kunstenaars van verschillende soorten kunst te vinden. Vermeld bij elke kunstenaar, wanneer hij of zij leefde en welke belangrijke werken deze persoon heeft gemaakt.
Opdracht 19: Kunstzinnige meningen
Opdracht 19:
Kunst
Niet iedereen vindt kunst mooi. En niet iedereen vindt dezelfde kunst mooi.
Zoek minstens tien afbeeldingen van verschillende soorten kunstwerken bij elkaar. Maak er een overzicht van. Ga daarna aan minstens vijf kinderen vragen wat ze van die kunstwerken vinden. Vraag niet alleen: ‘Wat vind je van dit schilderij?’ Bedenk van tevoren minstens vijf vragen die je jouw groepsgenoten kunt stellen.
Maak na afloop een samenvatting bij ieder kunstwerk, waarin je vertelt wat de verschillende meningen waren.
Opdracht 20:
Open opdracht
Er zijn een heleboel vormen van kunst en nog veel meer onderwerpen die met kunst te maken hebben. Had je zelf iets in gedachten dat je niet tussen de opdrachten hebt gevonden? Dan is dat ook goed.
Schrijf duidelijk in je Plan van aanpak op wat je wil gaan doen. Overleg daarna met je meester. Als die jouw opdracht goed vindt, kun je beginnen.